E-mail Rob

Terug naar de HOME-pagina
Vannacht gedroomd

Vannacht gedroomd
Zo’n dik Dromenboek als verre voorvader
Frederik zal ik nooit kunnen schrijven.
Hier is de eerste:

Ik loop de woonkamer in en zie dat onze grote Ficus Benjamini op twee staken na helemaal is gesnoeid. Die staken steken zielig in de hoogte aan de linkerkant (op de foto) van de boomstam die de achtergevel van ons huis stut. Ik kijk ernaar en denk: waarom heeft Hanneke dat nou gedaan? Wat verschrikkelijk!

Een vreemde droom, omdat ik de snoeier hier in huis ben. We hebben wat getob gehad met die Ficus: trips en spint en af en toe tergend veel bladuitval. Nu doet hij het juist weer heel goed. We zijn bezig een alternatief op te kweken. De onderste groene bladeren zijn van een andere (veel sneller groeiende) plant.

Vannacht gedroomd
Ik sta aan de rand van een groot meer waar middelgrote boten snel over heen en weer varen. Daartussendoor lopen en rennen een soort dinosauriŽrs. Sommigen zien er levensecht uit, anderen duidelijk geanimeerd zoals in computerspellen en films over dinosauriŽrs. Dichtbij zie ik een soort walvis met een opengesperde bek, en in die bek zit een man achter een stuur met allerlei bedieningsknoppen. Ik vraag me af: is

dit nou een echte walvis waarin ze een man hebben gezet om hem te besturen? Ik zie allerlei mannen rondom de walvis in het water staan die met lijnen de walvis in bedwang proberen te houden. Opeens weet ik dat ik snel moet weggaan. Ik ren door het water en later op de wallekant, waar een rij bomen staat in een halve cirkel, ervoor zitten mannen te werken, te eten en vuur te stoken, het lijken ontdekkingsreizigers. Ik spring tussen twee van die mannen en tussen de bomen door...

Vannacht gedroomd
Alleen fragmenten herinner ik me nog van dromen die ik vaak heb over wonen in woongroepen, communes.
Aan een tafel zitten te eten, terwijl niet duidelijk is welk bord van mij is. Een stukje vlees dat van m’n vork valt op de jurk van mijn buurvrouw en dat ik er snel probeer af te pakken. Een vrouw zoenen en me afvragen waar ik in godesnaam mee bezig ben. Een soort tentoonstelling in ons(?) huis organiseren, maar niet weten wat nu tentoongesteld wordt en wat er gewoon altijd staat. Allerlei mensen die heen en weer lopen, van wie ik maar een deel ken. Gevoel van verlorenheid en onveiligheid. Toch erbij willen horen.
En als ik wakker word, niet meer willen slapen.

Vannacht gedroomd
Alleen fragmenten...
In een groot pand, dertiger jaren, met veel glas in de gevel, zit ik met een vrouw en een kind. We praten, eten wat en dan willen we naar bed, maar er zijn geen gordijnen en alles is van buiten af te zien. Toch zie ik hier en daar wel een soort lappen hangen en ga op onderzoek uit. Maar ook als ik die voor de ramen trek, levert dat niet veel op. Inmiddels ben ik op grote afstand van de plek waar ik was en zie dat je alles inderdaad van buiten kunt zien. Niet erg duidelijk, maar wel de silhouetten.
En als ik wakker word, niet meer willen slapen.

Vannacht gedroomd
Tegen een pand met een brokkelige gevel zie ik mensen naar boven klimmen, het is een soort wedstrijd. Er zitten allerlei uitsteeksels op de muur, waarop je je voet kunt zetten en je aan vasthouden. Sommigen lukt het, anderen helemaal niet. Als laatste gaat een klein meisje naar boven, wonderwel (denk ik) klautert ze handig omhoog en komt op een soort hoge balkonrand te staan. Dan opeens zie ik dat er nog zo’n meisje naast haar staat en dat ze aanstalten maken om naar beneden te springen. Ik schrik en denk dat dat niet kan, dat het veel te hoog is, dat ze dood zullen vallen of op z’n minst van alles zullen breken. Maar ik ben ver weg en kan niets doen, het lijkt opeens een film waarnaar ik kijk. En als de meisjes tegelijkertijd springen, volgt de camera ze niet. Het beeld blijft gericht op de balconrand en horen doe ik ook niets.

Deze droom doet me denken aan Songs from the Second Floor, een van de meest aangrijpende films die ik ooit gezien heb, een stuk of vijf keer inmiddels.
Roy Andersson, de maker ervan, ziet filmen meer als schilderen. Hij kan eindeloos bezig zijn om een opname ‘in scene’ te zetten, met herschikking van de mensen en objecten die erin voorkomen, de kleuren, de vergezichten enz. enz. De 45 ‘tableaux’ waaruit de film bestaat zijn inderdaad meer (bewegende) schilderijen. Eťn lange opname, zonder dat de camera beweegt, inzoomt of wat dan ook.
In die film komt een scene voor, waarin een jong, mooi aangekleed meisje, geblinddoekt naar een soort sprinplank wordt geleid boven een hoge afgrond.
De hele goegemeente is betrokken bij de voorbereidingen voor dit gebeuren. En is ook aanwezig bij de uitvoering ervan: artsen, overheidsbekleders, geestelijken, militairen, burgers enz. enz. Ze staan allemaal keurig in het gelid te wachten tot de (vrouwelijke) beul het meisje aan een touw voortrekkend naar de afgrond brengt en haar de uiteindelijke duw geeft. Daarna alleen nog een schreeuw van het vallend meisje en geluid van het neerkomende lichaam.
De onschuld vermoord, het dagelijkse ritueel. We zijn er allemaal bij betrokken, staan erbij en kijken ernaar, doen soms wat we kunnen, maar er verandert weinig.

Songs from the Second Floor

Vannacht gedroomd (22 september 2005)
Ik sta aan de rand van een terrein waarop zich een soort kringloopcentrum bevindt. Allerlei mensen zijn bezig met het verplaatsen van goederen en spullen naar bakken en stapels. Hanneke (mijn echtgenote) werkt er en er werken ook veel psychiatrische patiŽnten. Ik ben me ervan bewust dat Hanneke een ‘grote ontdekking’ heeft gedaan. Steeds meer begeleiders/behandelaars, zoals zij, worden ook patiŽnt, worden ook ‘gek’, maar blijven wel in hetzelfde project werken. Hanneke heeft ontdekt dat ze niet echt gek worden, maar bewust ‘overstappen’, omdat ze het idee hebben dat je beter patiŽnt kunt zijn dan behandelaar. PatiŽnten behandelen elkaar veel menselijker, de wereld van de patiŽnten is veel warmer en aangenamer. En dat je - als prijs daarvoor - opgenomen wordt in een psychiatrische inrichting is niet erg, want het weegt makkelijk op tegen de nadelen van het zogenaamde gezonde leven.

Nu sta ik met Hanneke aan de rand van het terrein en kijk naar de mensen die er werken. Er is een jongere vrouw die steeds op een afstandje achter een oudere vrouw aanloopt. De oudere vrouw heeft grijs haar. Opeens zie ik dat de oudere vrouw weg is, de jongere vrouw loopt nog steeds door, achter iets aan lijkt het, maar dat kan ik niet zien. Dan zie ik de oudere vrouw aan de overhand van het terrein een heuvel oplopen, in de richting van een huis.

Ik kijk naar mijn handen en zie dat er een lange zwarte draad aan hangt, met aan het einde een naald. Hij zit - op de een of andere manier - goed vast aan mijn hand, maar het stoort me niet. Dan komt opeens die jonge vrouw van links aanlopen en ik zie dat ze achter een spin aanloopt en die spin steeds moeder noemt. De spin loopt over de grond en als ik naar beneden kijk, zie ik dat ze opeens in de zwarte draad klimt die aan mijn hand hangt. Snel gaat ze omhoog en wikkelt tegelijkertijd de draad op, met de naald erbij. Nu zit ze op mijn hand en trekt zicht steeds vaster, waardoor ze steeds strakker op mijn hand komt te zitten. De jonge vrouw gilt: “Moeder, moeder!” Ik begrijp dat ze de spin (ook) als haar moeder ziet.

Het wordt me nu een beetje te benauwd met die spin, die zich met naald en al in mijn hand lijkt te graven. En ik schud  met mijn hand, waardoor hij er af zal vallen, maar dat lukt niet. Met m’n andere hand durf ik niet hem eraf te schuiven, bang om me te steken aan de naald. Ik schud steeds harder met mijn hand.

En dan word ik wakker omdat Hanneke een gil geeft. Het gebeurt helaas wel meer dat droom en daad bij mij doorheen lopen. Het schudden met de hand heb ik niet alleen in mijn droom, maar ook in het echt gedaan. En ik heb tegen Hanneke aan liggen slaan met die hand. Hanneke weet - uit soms pijnlijke ervaring - dat ze me dan maar beter direct wakker kan maken.

Vannacht gedroomd (9 oktober 2005)
Hanneke en ik zijn op vakantie met een huurauto en we zijn op weg terug naar huis, ergens in Nederland.  Opeens zitten we achterin een andere auto met een echtpaar op de voorbank. Ik ken die mensen niet, maar maak me er niet druk om, want ik zie dat we richting huis gaan. Hanneke zit ook rustig naast me.
Als we zijn aangekomen bij het Valkenbosplein, vlak bij ons huis, vraag ik of we hier kunnen uitstappen. Als de auto stilstaat, stap ik uit en loop naar de achterbak om onze bagage eruit te halen. Maar als ik de klep omhoog doe, zie ik daar helemaal niets liggen. Opeens dringt tot me door dat we een eigen huurauto hadden met al onze bagage erin. Ik begin me zorgen te maken. Hanneke doet heel laconiek, als ik vraag: waar is onze auto en onze bagage. Ik weet helemaal niet wat er gebeurd is. Hanneke zegt: “Oh, maak je niet druk, dat komt allemaal echt wel goed.” Maar ik voel me helemaal niet gerust, heb geen idee waar we de auto hebben achtergelaten en zeg: we moeten een nieuwe auto huren en op zoek gaan. Hanneke kijkt me niet begrijpend aan...

Vannacht gedroomd (11 december 2005)
Ik loop een heuvel op, naar een plek waar een man op me staat te wachten met een soort sprekersgestoelte. Als ik bij hem kom, zie ik dat er wieltjes onder het houten ding zitten en handvatten aan de zijkant, zodat ik het achter me aan kan slepen. De man geeft me een sleutel. Ik vraag waar die voor is, want ik zie in het gestoelte geen kast, la of iets dergelijks om open te maken met die sleutel. Hij zegt: “Ga maar naar beneden, je zult wel merken waarvoor je hem nodig hebt.” Ik steek de sleutel in mijn zak, neem het sprekersgestoelte achter me aan en loop de weg naar beneden, naar het dal, waar ik spreken moet en die sleutel gebruiken.

Een duidelijke droom, voor mij althans, en ik heb geen zin om hier verder iets over te zeggen dan dat ik tevreden en gelukkig wakker werd.

Vannacht gedroomd (25 februari 2006)
We zijn druk bezig in een, van binnen helemaal witte, houten barak, bovenop een duin, een paar mensen en ik. Er moet nog van alles gebeuren om de ruimte helemaal in orde te krijgen. Het is een werkruimte. Een collega installeert een groot apparaat en een andere collega is aan het schoonmaken en inrichten. Ik kijk naar buiten en zie in de diepte het strand en de zee met de horizon in de verte, het is helder weer.

Op het strand loopt een man, ik weet dat het een dief is. Er is ingebroken in onze ruimte en we moeten extra opletten, want hij zou weer kunnen Maar bang voel ik me niet,  het is allemaal licht en luchtig. En het duurt niet lang meer voor we klaar zijn. Dan gaan we pas goed aan de slag.

Als ik weer naar buiten kijk, zie ik opeens dat het water flink gestegen is. Het strand is niet meer te zien, want daar is nu de zee met flinke golven. De dief zie ik niet meer, of misschien ergens in de verte. Ik kan niets doen. Ook zie ik opeens een paar schepen die moeite hebben om door de golven te komen. Eťn ervan, een oude bark met zeilen, maakt slagzij.

In onze barak is het nog steeds rustig, mijn collega’s zijn aan het werk en lijken niet te weten wat zich buiten afspeelt. Ik zie dat stijgende water en realiseer me dat het wel eens zo hoog zou kunnen komen dat het ook de barak binnenstroomt. Maar als ik weer kijk, realiseer ik me dat dat toch wel onwaarschijnlijk is. We bevinden ons op een brede hoge duintop en het ziet er niet naar uit dat het water verder zal stijgen.

Een duidelijke droom, voor mij althans, en ik heb geen zin om hier verder iets over te zeggen dan dat ik rustig en gelukkig wakker werd.

Vannacht gedroomd (22 maart 2006)
We rijden met z’n drieŽn in een grote Amerikaanse wagen en zitten op de voorbank. Ik zit links, er zit een vrouw naast me en daarnaast, aan de rechterkant zit de bestuurder, een man. Ik zie voor op de weg allemaal grote Amerikanen rijden en limousines. Ze rijden allemaal hard en lijken een wedstrijd te houden. Ook de bestuurder van onze auto geeft flink gas en de wagen gaat steeds harder rijden. Opeens zie ik een verkeersdrempel in de weg op ons afkomen. Ik heb klein stuk gebogen metaal in mijn rechterhand, het zit tegen mijn wijsvinger aan.

En terwijl de bestuurder plotseling remt voor de verkeersdrempel, voel ik de zwaartekracht naar voren en zie het messcherpe strookje metaal een stuk in mijn hand verdwijnen. Zodra we over de drempel zijn, trek ik het voorzichtig uit m’n vinger; het bloed begint eruit te komen, dikke druppels. Het doet geen pijn. Ik zie dat de bestuurder weer op de gaspedaal trapt en vaart aan het maken is. Ik wil dat niet meer en geef met mijn been, voor de vrouw langs een trap tegen het been van de bestuurder.

En dan... schrikt Hanneke wakker, want dat laatste stukje van m’n droom geef ik helaas inderdaad een trap, maar niet tegen die bestuurder. Hanneke is al vaker slachtoffer geweest van dit soort dromen.

De afgelopen nachten gedroomd (19 april 2006)
Allerlei verwarde dromen. Een serie mannen, een soort moslims, die samen in marstempo een brede trap afkomen en, als ze op de grond zijn, nog een paar passen doormarcheren en zich dan voorover laten vallen. De eersten tegen een muur, de volgenden op de mannen die voor hen lopen. Een steeds maar herhalend ritueel. Vanochtend vroeg waren het opeens twee bijna ontklede vrouwen. Een ervan was Hanneke. Ook zij liepen de trap af, maar ze liepen niet door als ze op de grond waren aangekomen, maar lieten zich pardoes voorover vallen, plat op het zand met hun handen omhoog geheven. Ik hoorde ze op de grond terechtkomen met een flinke klap. Het scheen geen pijn te doen. Ze zagen er vreemd uit. Met een soort oosterse bh, hun onderbroek op de knieŽn opgerold en een heel klein decent vijgenbladachtig dingetje + oosterse muilen. Mooie wulpse dames. En ook zij herhaalden hun ritueel steeds maar.

En een droom over een serie klaslokalen die achter elkaar waren geschakeld. Ik kwam door het eerste lokaal binnen en kon dan rechtdoor lopen, tussen de banken, naar de deur van het volgende lokaal. Het was vreemd, want ik zag dat er geen andere deuren waren dan deze. In elk volgend lokaal waren minder leerlingen. Ze zaten allemaal aan hun bankjes rustig te werken. Toen ik in het laatste lokaal was aangekomen, zag ik dat je niet verder kon. Er was geen deur meer naar een volgend lokaal. Ik wist dat ik niet terug moest gaan. Maar wat ik wel moest doen... geen idee.

Vannacht gedroomd (22 juli 2006)
Ik kom een kamer inlopen en zie tegenover me twee tientjes (guldens), elk met een punaise aan de wand geprikt hangen. Het is een heel belangrijk signaal, weet ik, een teken.

Nauwelijks een droom, maar toch... Wakker geworden lig ik nog een tijd te denken wat dit nou kan betekenen, geen idee.

Vannacht gedroomd (5 augustus 2006)
In de nieuwe serie non-entries: vannacht en vele voorgaande nachten wild en woest gedroomd, maar ik kan me er helaas niets van herinneren.

Vannacht gedroomd (8 augustus 2006)
Ik bevind me in een grote kantoorruimte, een soort kantoortuin. Patrick Boel (een oud-collega, vriend) komt naar me toe en zegt: “Het wordt echt tijd dat je een nieuw pak laat maken, dat oude is veel te dik. Het moet veel lichter zijn, iets Amerikaans. Wacht maar, ik roep Jan  Paul wel even, die weet er alles van.” Ik zie Jan Paul van Soest (ook een oud-collega) binnenkomen. Zijn pak vind ik er nogal vreemd uitzien, heel hoog gesloten. En het lijkt helemaal niet licht van stof, maar juist dik en kartonachtig...

Vannacht gedroomd (28 september 2006)
Ik loop door een groot huis waar we met een heel stel mensen wonen. Ik ga naar een grote kamer (zeker wel tien bij tien meter) die ik in de afgelopen dagen helemaal heb leeggehaald en schoongemaakt. Als ik de schuifdeuren opendoe, zie ik dat de kamer helemaal afgedekt is met lakens, wit met lichtblauwe strepen. Er liggen er wel tientallen netjes op de vloer uitgespreid. Ik denk: wat is dat nou, schone lakens uit de kast? Dan zie ik dat er allemaal dingen onder die lakens liggen. Stapels van mijn spullen, archiefmappen, allerlei werk. Maar nu zie ik ook dat er speelgoed ligt en dat de kinderen (MichaŽl, Faber en Barbara) zich verstopt hebben onder de lakens. Tegelijkertijd voel ik woede en bewondering opkomen. Jezus, nou had ik die kamer net op orde, maar ook: wat lijkt me dat een leuk spel dat de kinderen spelen. Haast jaloers voel ik me dat ik niet zelf daar op de grond lig te spelen met al die spullen en lakens.

Als ik wakker wordt, herinner ik me een werkelijk gebeurde ‘droom’ uit de periode dat ik getrouwd was met Magda en MichaŽl en Faber nog klein waren , vijf en drie zo ongeveer. Magda en ik lagen op een zondagmorgen lekker in bed. We hadden nog geen zin om op te staan en ontbijt te maken, en alle geluiden die we hoorden klonken geruststellend, de jongens waren lekker aan het spelen in de woonkamer. Toen ik na een uurtje toch eens ging kijken, zag ik waarop de jongens zo rustig waren. Ze hadden ongeveer de helft van onze lp’s uit de hoes gehaald en netjes in de kieren van de planken vloer van de grote doorgebroken kamer gestolen. Tientallen lp’s stonden mooi rechtop goed tussen die kieren geklemd...

Vannacht gedroomd (23 april 2007)
Flarden van verschillende dromen door elkaar. Een grote groep mensen in een donkere ruimte met muziek van de Velvet Underground, vloeistofprojecties op tafels en op de wanden, LSD-achtige sfeer. Maar ik ben helder en zie allerlei vrienden: Peter van Exel, Udo Roberti, Flip van der Giezen, Rik van Exter, Sylvain Lelarge en vele anderen. Ze zijn allemaal druk bezig in gekke kostuums, dansen, praten, films kijken. En we praten met elkaar.

Verdrietig ontwaakt: verloren vrienden die ik (waarschijnlijk) nooit meer zal zien. Verscheidene pogingen daartoe hebben dat wel duidelijk gemaakt. Het is nu eenmaal zo, je groeit nu eenmaal uit elkaar, of het is niet meer goed te maken…

Vannacht gedroomd (20 mei 2007)
Terwijl ik op mijn laptop zit te werken, zie ik opeens kleine vlammetjes uit het toetsenbord komen. Ik ga wat achteruit zitten en kijk wat er verder gebeurt. De vlammen worden langzamerhand groter, tot er een flinke brand uit het toetsenbord komt.
Ik zit erbij en kijk er naar, rustig, en denk: het is goed zo...

burning-ibook1

Vannacht gedroomd (27 juni 2007)
We wonen aan het water en hebben een openslaande deur die er direct op uitkomt. Ik kijk naar buiten en zie links in de verte Hanneke aan de oever staan met een hengel. Hanneke aan het vissen? denk ik. Opeens zie ik dat ze beet heeft en dat er hard aan de hengel getrokken wordt. Er staan wat jongetjes omheen druk te praten en gesticuleren.

Dan steekt de kop van een grote vis boven water uit. Met een enorme kracht duikt hij onder en zwemt verder. Hanneke staat inmiddels in het water en houdt de hengel vast. Dan wordt ze meegesleurd, heen en weer door het water, maar ze blijft vasthouden.
Na een tijdje komt ze voorbij onze deur en klimt naar binnen. De hengel is weg, maar ze geeft me de nylon draad. Ik wikkel hem snel om de deurknop, bang om in mīn handen gesneden te worden. Koortsachtig denk ik: wat moeten we met zoīn vis? Zal ik hem niet gewoon laten schieten? Maar dan zwemt hij daar rond met die lange draad in zijn bek? Ik krijg dat haakje er nooit uit. Als ik mijn hand naar zijn bek uitsteek, bijt hij me vast…

Vannacht gedroomd (18 oktober 2007)
Ergens in Engeland ben ik, in de puberleeftijd, ingekwartierd bij een Engels gezin. In het kader van een schoolreis of zoiets. Het huis ziet er heel armoedig, vijftigerjaren uit. Simpel, met eenvoudige meubeltjes, namaak Perzische tapijtjes e.d. Er is een vader, een moeder en drie kinderen, twee jongens en een meisje, allemaal ook in de tienerleeftijd. Zelden heb ik zulke lelijke mensen gezien, denk ik, maar ze hebben wel blije gezichten.

De vader pakt een grammofoonplaatje en legt het op de pick-up. De muziek is van de Beatles: When Iīm Sixty Four. Direct als de muziek hard opklinkt begint de vader als een wilde door de kamer te dansen, eigenlijk is het geen dansen, maar met grote sprongen, de benen hoog optrekkend, op de maat van de muziek door de kamer rennen, tussen de meubeltjes door. De moeder en even later ook de kinderen beginnen ook zo te dansen. Het is een idioot gezicht. Soms springen de kinderen op elkaar af en gaan om de maat van de muziek tegen elkaar op staan te wrijven, heel gek ziet dat er uit.
Ik sta aan de kant en voel me heel jaloers, ik wou dat ik daarbij hoorde, dat ik ook kon meedoen. En later: dat we thuis in Holland ooit zoiets zouden doen…

Ik ben op een grote grasvlakte, een festivalterrein waar tientallen, misschien wel honderden fanfareorkesten rondlopen in allerlei pakjes op weg naar plekken en podia waar ze gaan spelen. Ik kijk mijn ogen uit. Opeens zie ik een wel heel bijzondere fanfareorkest.
Het bestaat grotendeels uit enorm grote vrouwen, zeker twee meter twintig of langer, ook heel breed, werkelijk kolossen. Ze staan in brede rijen naast elkaar en hebben geen instrumenten, maar maken wel muziek. Met hun monden en kelen, terwijl ze er ook nog bij bewegen en flink met hun handen en benen op en neer gaan. Het geluid dat ze maken is een soort van toon wisselend gebrom, als zangers met boventonen uit MongoliŽ en omstreken. Maar het klinkt veel luider en zwaarder. Een bromkoor, denk ik, een bromkoor en ik blijf – diep onder de indruk – naar ze staan kijken en luisteren.

Vannacht gedroomd (20 oktober 2007)
Ik loop langs de rand van het Haagse Bos over de Bezuidenhoutseweg, vlak voor de Laan van Nieuw Oost IndiŽ, richting stad en zie links een vreemd soort fiets langskomen, heel langzaam en schokkerig. Het is een soort tandem met een duidelijk gehandicapte man op het voorste zadel, die probeert te trappen, maar het lukt niet erg. Ik zie ook een blauw zwaailicht op het stuur gemonteerd. Ik weet gelijk, het is een ambulancefiets. Ik ren naar de man toe en vraag waar naartoe hij wil. Naar Bronovo, kreunt hij. Ik zeg: ga achterop zitten. Hij gaat op het achterste zadel zitten en ik spring op het voorste en begin te trappen, maar merk dan dat de trappers niet goed werken en zijn afgestemd op zijn handicap. Links draait de trapper gewoon, maar rechts niet. Ik kom maar moeizaam vooruit, maar bereik toch de Van Alkemadelaan, vlakbij Bronovo. Dan zie ik opeens dat de weg naar onderen loopt, maar een soort onderaards niveau, waarin een enorme bouwput is, de grond is bedekt met allemaal langwerpige kunststof halve open buizen, met daarin allerlei draden en leidingen die weer omwikkeld zijn met isolatiemateriaal. Heel veel mannen lopen er tussen door en verschuiven de draden en leidingen.  Het lijkt allemaal chaotisch. Plotseling zie ik Bessie Schadee (een vriendin) die met een van de voorlieden of zo aan het praten is. Ze zegt: “Zo gaat het nooit lukken, dit kan helemaal niet, er komt niets van terecht.” Ze praat verder met de man, maar ik luister niet meer…

Vannacht gedroomd (26 oktober 2007)
Hanneke en ik lopen in de Bijenkorf, Den Haag naar een balie, ergens in een stille hoek, van een soort klantenservice. Er staat links een lange magere man achter. Ik weet dat hij een heel goede verkoper is en ik vind het vreemd dat hij daar zo in een uithoek van het bedrijf staat. Hij hoort midden tussen de klanten te staan en niet daar. Dat moet ik hem vragen, denk ik. We kopen een soort honing (iets als koninginnegelei) in een klein zakje, 25 gram voor € 10, bij hem, maar mijn vraag stel ik niet…
Een paar dagen later komen we terug en lopen weer op die stille balie af, de man staat er. Ik denk weer dat ik hem moet vragen waarom hij dŠŠr staat en niet in het klantengewoel. Maar het komt er niet van. Ik zeg dat we nu een kilo van die gelei willen. Hij is zo lekker en we zijn er zo van opgeknapt. “Daīs wel een heel bedrag,” zegt hij. Dat geeft niet, zeggen we, het is zo lekker! Ik herinner me de verrukkelijke karamelachtige smaak en verlang ernaar.
De man verdwijnt ergens achter en we wachten, terwijl ik weer denk aan de vraag die ik wilde stellen. Als hij terugkomt, vergeet ik die, want terwijl de man een dunne plastic zak met de gelei op de balie legt, zie ik dat zijn hoofd helemaal kaal is geschoren en dat hij gehuld is in een vreemd pak met allemaal witte katoenen slierten. Een soort Pino, maar dan met langere slierten en zijn gezicht is goed zichtbaar.
Ik wil mijn portemonnee pakken en betalen, maar hij zegt: “Nee, je moet op de grond gaan liggen,” wat ik doe. Als ik daar (opgekruld) lig, gooit hij allemaal van die witte slierten over me heen en veren, waaronder ik helemaal bedolven raak. Ik vraag me even af wat de mensen ervan zullen denken, maar zie ze niet.